De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

De ondergang van een eerbiedwaardig orkest

Jaren 80


Tijdens de bouw van het Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht werd het de muzikale insiders duidelijk, dat de totstandkoming van deze concertzaal weleens de opheffing van het Utrechts Symfonie (voorheen Stedelijk) Orkest tot gevolg kon hebben. Die argwaan bleek terecht. Wat was begonnen als een lobby om de plaatselijke filharmonie een nieuwe huisvesting te bezorgen, ontwikkelde zich in de praktijk tot een kiss of death voor dit eerbiedwaardige muziekensemble.

Een van de oorzaken was, dat er in die jaren het mes werd gezet in het aantal gesubsidieerde orkestbanen. Dat gebeurde onder meer door een fusie van het Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest en een afgeslankt Utrechts Symfonie Orkest. Dit Nederlands Philharmonisch Orkest moest een pool van muzikanten opleveren wier hoofdopdracht het zou zijn de nieuwe Nederlandse Opera te begeleiden.
Nu is niets er voor de eeuwigheid, dus dat er ooit een orkest of ensemble wordt opgedoekt, is niet per definitie verwerpelijk te noemen. Maar bij de opheffing van het USO was de logica van de maatregel ver te zoeken. Met kwaliteit heeft het in ieder geval niks te maken gehad, want de provincieorkesten waren destijds in muzikale deugdelijkheid vrijwel uitwisselbaar. En met het nut voor het algemeen heeft de orkestensanering ook niets van doen gehad, want het Gewestelijk Orkest Zuid-Holland kon het aantal amateur-koorbegeleidingen niet aan en toch werd het als eerste de uitgang gewezen. Nee, alleen die ensembles welke over voldoende back-benchers beschikten, zagen de deadline opschuiven. In die broedertwist is het Utrechts Symfonie Orkest door een gebrek aan besef van historische eigenwaarde ten onder gegaan.


Amsterdamse inbreng

Het Utrechts Symfonie Orkest heeft altijd de intimiderende invloed van het Concertgebouworkest ondervonden. Een wisselwerking die het Utrechtse gezelschap weinig voorspoed heeft gebracht. De meest positieve Amsterdamse inbreng kwam van hun dirigent Evert Cornelis. Maar die had zich dan ook bij Willem Mengelberg verdacht gemaakt door zich als assistent-dirigent bij het Concertgebouworkest iets te ambitieus op te stellen. Verder werd het orkest in Amsterdam niet al te serieus genomen en met enig dedain bekeken. Wie weten wil hoe de componist Willem Pijper en Willem Mengelberg het USO en zijn dirigent Jan van Gilse verneukten, moet de memoires van mevróuw van Gilse maar eens lezen. De Mokumse schade bij de Utrechters is dan ook vooral van mentale aard geweest.
Later, in de jaren zestig, kreeg de Amsterdamse invloed op en bij het USO nog een extra dimensie, in de vorm van een directie afkomstig uit het Concertgebouworkest. Een administratief duo dat na de onafhankelijkheidsstrijd van de hoofdstedelijke musici contra Het Concertgebouw N.V. (1951-1952) eerst het soeverein geworden Concertgebouworkest diende, maar in 1959 de hoofdstad verruilde voor de Domstad. Zo kreeg het USO een management met een sterk Amsterdams sentiment.


Anti-revolutionair

Maar de doorslaggevende oorzaak van het Utrechtse Waterloo lag op het concertpodium zelf. Daar ontbrak het aan zelfrespect. In de jaren die vooraf gingen aan de orkestenfusie was het USO langzaam in de versukkeling geraakt. Al jaren lang was het orkest gedwongen zijn concerten te spelen in een houten schuur zonder akoestiek en accommodatie. Daarbij was de chef-dirigent Paul Hupperts weliswaar een aimabel man, maar geen groot interpreet en hij miste de pedagogische eigenschappen die nodig waren om de door verlammende noodvoorzieningen en beperkte publieke belangstelling aangeslagen musici uit hun lethargie te halen. Hoe anders ging dat terzelfder tijd in de nieuwe Doelen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart.
Analoog aan de neergang versomberde de sfeer binnen het Utrechtse orkest. Om die negatieve trend te stoppen, ontwierp een aantal jonge musici een alternatief waarin de, zonder verbeeldingskracht aan het Concertgebouworkest ontleende, seizoenopzet plaats zou maken voor een speelplan dat beter aansloot bij de eigen lokale omstandigheden. Zoals audio/visueel ondersteunde muziekevenementen voor de jeugd en een aantal duidelijk geprofileerde concertseries voor een publiek dat uit de provincie per bus naar en van de (nieuw te bouwen) concertzaal zou worden gependeld. De mensen naar de kunst en Entrée avant la lettre.
Het orkestbestuur, blij met elke aanstichting tot wederopbouw, reageerde geestdriftig en gaf de directie en dirigent opdracht ruimte te scheppen voor dit initiatief. Dat vervolgens nooit van de grond kwam, omdat een te groot deel van het orkest inmiddels met het apathie-virus besmet was geraakt.
"Het is hier altijd rustig geweest en dat willen we zo houden," sprak een van de trompettisten als woordvoerder van de anti-revolutionairen. Wie zo verzuurd is, vormt een zacht eitje voor de culturele herverkavelaars. Het werd dan ook de rust van het graf. Later heeft de musicoloog Annegarn een deel van het historisch archief van het Utrechts Symfonie Orkest kunnen redden. Hij vond het bij de vuilnisbak.