De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Steppen en wodka

juni 2002


Jevgeni Svetlanov (06-09-1928 / 03-05-2002) dirigeerde slechts enkele malen het Koninklijk Concertgebouworkest. Dat was in 1995 met Rachmaninovs Tweede pianoconcert en Tsjaikovsky's Manfred-symfonie, en een RAI-concert met Tsjaikovsky, Moesorgsky, Ljadov en Chatsjatoerian. In 1996 keerde hij terug met Rimsky-Korsakov, Rachmaninov en Tsjaikovsky. Zijn laatste optreden bij het KCO was in 1998 met een Brahms-programma.

Toch bewaar ik goede herinneringen aan hem. Hoe zijn Brahms was ben ik vergeten, maar zijn Russische programma's hoor ik nog steeds. Daarin proefde je de steppen en de wodka. En ook staat zijn binnensmonds gebrom mij nog goed bij, want hij sprak geen woord over de Russische grens dus waarom hardop praten. Mompelende woorden als piano, forte en pauze voldeden aan de directe noodzakelijke instructies en de rest kwam van zijn armen.

De orkestrepetities onder zijn leiding begonnen immer met hetzelfde ritueel. Bij aanvang betrad de orkestinspecteur het concertpodium en vroeg 'namens onze gewaardeerde gastdirigent' de dames en heren orkestleden nog een paar minuutjes geduld. De maestro moest namelijk zijn trainingspak nog aantrekken. En na enig wachten slofte Jevgeni dan via het korte zaaltrappetje het podium op en stapte hijgend op de bok. De vervaalde pitbullsmoking waarin hij zich had verkleed contrasteerde onmatig met zijn fysieke contouren. Vervolgens wierp hij ons musici een vriendelijke blik toe, spreidde beide armen en ogen langdurig hemelwaarts en bracht daarop het orkest in beweging. Dat was zo onburgerlijk dat zelfs de snel aangebrande KCO-musici ('Kom toch op tijd, man!') er geen punt van maakten.
Bovendien bezat hij karakter. Dat merkte ook onze toenmalige artistiek directeur Jan Zekveld. Die had ontdekt dat Svetlanov de 'verkeerde' versie van de Manfred-symfonie zou dirigeren. Dat kon niet, besliste Zekveld en hij begaf zich met een aantrekkelijke slagroomtaart naar de dirigentenkamer met de bedoeling een en ander prettig te regelen. Om er enige momenten later onverrichterzake weer uit te komen. Met taart. De muziekpers sprak er schande van, maar de musici kon het niks schelen want het orkest klonk onder zijn leiding ouderwets donkerbruin.

Mijn persoonlijke kennismaking met Svetlanov was even onverwacht als ongewoon. Tijdens de koffiepauze van zijn eerste repetitie met het Concertgebouworkest stak hij amechtig het concertpodium over en beklom kortademig het slagwerkpodium. Hij drukte mij de hand, bromde iets onverstaanbaars en wees vervolgens op zijn achterwerk. Of hij zijn dirigeerkruk mocht ruilen voor een meer comfortabele slagwerkstoel. Dat mocht hij natuurlijk en de man is mij er levenslang dankbaar voor gebleven. Want toen ik hem voor het laatst zag, op een avond dat zijn Residentie Orkest - hij was er chefdirigent - in de Grote Zaal speelde en ik toevalligerwijs de artiestenkantine in de catacomben van het Concertgebouw verliet, stonden ze daar in de keldergang: de Svetlanovs. Een ontroerend stel. Hij maakte zich op om het podium te gaan beklimmen en zij hield een mini-ventilatortje in de hand om zijn altijd dampende gezicht te bewaaieren. Hij zag me, hief armen en ogen ten hemel en omhelsde mij als een veteraan uit de Russische Revolutie. En toen hij daar mee ophield deed mevrouw Svetlanov dat nog eens over. Ik heb ze niet durven vertellen dat ik het concert niet kwam beluisteren.