De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Sonate voor 2 piano's en slagwerk

6 februari 2011


Bladerend door een stapel oude programmaboekjes wordt ik herinnerd aan een optreden in de Grote Zaal. Een gebeurtenis die achter de horizon van mijn herinnering was verzonken. We schrijven 10 februari 1974 en het betreft een uitvoering van Béla Bartóks Sonate voor twee piano's en slagwerk (1937). De personele bezetting ervan was uit het Concertgebouworkest afkomstig. Ruud van den Brink en Kees Olthuis zaten achter de vleugels en de toenmalige paukenist Jan Labordus en ik beroerden het slagwerk. De Sonate was in het Amsterdam van de naoorlogse jaren tamelijk populair (het was weer eens wat anders dan het gebruikelijke kamermuziekrepertoire), maar het stuk is de laatste tijd wat uit de aandacht verdwenen. Dat is jammer, want het is een onbetwist meesterwerk.

De bezetting van Bartóks Sonate voor twee piano's en slagwerk*) was in de tijd van componeren weliswaar ongebruikelijk maar niet nieuw. Al in zijn Eerste en Tweede pianoconcert (1926 en 1933) vormen piano en slagwerk een twee-eenheid binnen de partituur. Sterker nog, in het eerste concert is die combinatie zelfs het hart van het orkest, waarbij het slagwerk ook daadwerkelijk rond de piano is geplaatst. En in zijn Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta (1936) verzorgen piano en slagwerk samen de verbinding tussen de twee diametraal opgestelde strijkorkesten.

Bartók was in die jaren niet de enige met een trommelend gemoed. Al eerder had Stravinsky in Les noces de piano tot slaginstrument verklaard en Edgard Varèse's slagwerkorkesten waren inmiddels beroemd en berucht geworden. De eerste helft van de twintigste eeuw was nu eenmaal het tijdperk van de doorbraak der trommels. Zij het dat Bartóks percussie niets van doen heeft met de razende geluidsuitbarstingen in Varèse's slagwerkpartituren of Stravinsky's stampend (schijn)primitivisme uit Le sacre du printemps. Bij Bartók is het slagwerk kleinschalig en verfijnd verweven met zijn instrumentale omgeving. Een fortissimo behoort tot de uitzonderingen en tot in de finesses instrueert Bartók hoe de slaginstrumenten dienen te worden bespeeld. Op de rand van de trom of juist in het hart van het vel, op de dome van het bekken of juist aan de uiterste rand ervan, aangeslagen met houten stokken of via vingernagels bespeeld, kortom, elke noot is voorzien van een gedetailleerde speelaanwijzing om de juiste samenklank met de piano te garanderen.

In de Sonate zijn de pianisten en slagwerkers overigens niet specifiek gekoppeld; de muzikale wisselwerking zigzagt over en weer. Wel beheert de ene slagwerker met de pauken het lage register, terwijl de andere met de xylofoon de discant vertegenwoordigt. En dat zijn tegelijkertijd de enige slaginstrumenten met 'toonhoogte', want de rest van de sets bestaat uit trommen, triangels, tamtams en bekkens.

Bartók schreef het werk in opdracht van de International Society for Contemporary Music en de première was in 1938 te Bazel, met de componist en zijn vrouw Ditta aan de klavieren en Fritz Schiesser en Phillip Rühlig achter het slagwerk. En het had zoveel succes dat het echtpaar Bartók er een flink aantal uitnodigingen tot optreden aan over hield.

*) In 1943 maakte Bartók een versie voor twee piano's en orkest.