De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Slagorde

1 september 2011


Zo halverwege de vorige eeuw werd, onder leiding van Igor Stravinsky, Edgard Varèse, Bruno Maderna en Pierre Boulez, het slagwerk tot het muziekinstrument van het twintigste centennium verklaard. Een wat diffuse kwalificatie weliswaar, want slagwerk is geen instrument maar een oneindige verzameling klop- rammel en schudwerktuigen, maar de intentie van die positionering was alleszins duidelijk: geen andere instrumentale groep kon volgens dit 'machtige hoopje' meer recht doen gelden op voorkeurig compositorisch gebruik dan de percussie. Varèse, de man die in de jaren '30 slagwerkorkesten van meer dan 20 bespelers zijn partituren invoerde, legde er zelfs een muziek-filosofisch statement aan ten grondslag.

“Het strijkersvibrato is niet meer van deze tijd. Onze tijd is percussief. Het slagwerk heeft een klankvitaliteit die andere instrumenten missen. En omdat slaginstrumenten geen melodisch verhaal vertellen én voortdurend het verschil tussen metriek en ritmiek aan de orde stellen, vermijd ik ermee het anekdotische in de muziek.”

In de geen-stijl-epoque van vandaag maakt zo'n getuigenis wellicht een wat geëxalteerde indruk maar zij vertelt wel iets over de toenmalige Zeitgeist, want ook op de vooruitgeschoven posten van de 'oude muziek' werd indertijd vibreren op een viool als een godslastering gezien.

Die uitverkoring van het slagwerk als cutting edge van de scheppende toonkunst mag dan een historische zijn geweest, de symfonieorkesten van die tijd kenden een instrumentale bezetting die nauwelijks breder was dan de Mannheimers in de tweede helft van de achttiende eeuw al hadden bereikt. En dat in een tijd waarin de zogenoemde monsterbezettingen van Mahler, Schönberg en Stravinsky al zo'n 40 jaar oud waren. De intrede van de moderne percussionisten in het symfonieorkest is dan ook in zo'n korte periode zo stormachtig verlopen, dat de 'bestaande' orkestmusici het ondergingen als een vreemde invasie van exotische rituelen en veel tamtam. De slagwerker bezet dus een uitheemse positie in het symfonieorkest. Maar juist daardoor geniet hij wel een relatief grote soevereiniteit binnen het collectief.

“Jongens, zolang alles goed gaat bemoei ik mij zo min mogelijk met jullie onafhankelijke republiek,” zei Bernard Haitink eens tegen zijn KCO-slagwerksectie, “Te veel enge instrumenten.” Een grapje, maar ondertussen. Alleen Nikolaus Harnoncourt wil bij ritmische barrières de strijkers nog wel eens toeroepen: “Schade das Sie nicht trommeln können!”