De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Pianisten

2001


Wonderlijke opvattingen bestaan er over de zielenroerselen van muzikanten. Bijvoorbeeld, dat instrumentalisten karaktereigenschappen bezitten, die overeenkomen met de cliché's welke er over het door hun bespeelde muziekinstrument bestaan. De gevoelige snaar, als het ware. Wat je nooit leest is dat het ook wel eens andersom zou kunnen zijn. Dat het muziekinstrument een mentale invloed heeft op zijn bespeler. Natuurlijk, je karakter kun je niet ontlopen dus is medebepalend voor de keuze van een muziekinstrument. Maar de inwerking van instrumentale gestiek, formant en toonvorming op de muzikant is iets anders. Het enorme aantal musici (veruit de meerderheid) dat voor de definitieve keuze eerst een ander muziekinstrument bespeelde, bewijst de onvoorspelbaarheid per individu van dit psychische tweerichtingsverkeer. Weg dus met die potjespsychologie. Oorzaak en gevolg, daar draait het om. Een violist maakt microbewegingen en tilt een sigarendoos. Dat dwingt tot een heel andere lichaamstaal dan die van een contrafagottist die de zwaartekracht moet bevechten en een ballon vol moet blazen om sowieso een toon te kunnen produceren. Als je nu maar lang genoeg een bepaald muziekinstrument bespeelt raak je daaraan zo geconditioneerd, dat het bijbehorende podiumgedrag zich ook buiten het concertplatform gaat manifesteren.

Slechts pianisten vormen hierop een uitzondering. Bij hen is de verwantschap tussen het muziekinstrument en lichaamstaal niet te voorspellen. Ik ken een wereldberoemd pianist die zijn toetsenbord berijdt alsof hij deelneemt aan een rodeo, maar doe je je ogen dicht dan hoor je een transparant tinkelend geluid. Een andere befaamde klaviertijger is vermaard om zijn donderende linkerhand, doch als je opkijkt zie je een licht gebochelde man die nauwelijks met zijn voeten bij de pedalen kan. Bovendien gedragen pianosolisten zich excentrieker dan strijkers. Vladimir Ashkenazy liep met ovenhandschoenen aan, ook al vielen de mussen van het dak. Maria João Pires verschoot van kleur toen zij bij de eerste noten van het Koninklijk Concertgebouworkest merkte het verkeerde pianoconcert te hebben ingestudeerd. Zwijgend en grimmig zonderde zij zich eventjes af en speelde vervolgens het juiste concert from memory.

En achter het concertpodium is dat niet anders. Wereldberoemd of niet, vioolsolisten duiken op tournee met hun orkestcollega’s de kroeg in, pianisten zie je meestal single aan een tafeltje in het hotelrestaurant zitten. Hoe dat komt? Omdat pianisten in alles alleen zijn. Ze vormen geen groep, ze kennen geen aanvoerder, ze hebben geen gelijke, ze zijn volledig op zichzelf aangewezen. Waar violisten hun muziekinstrument als een lichamelijk verlengstuk onder de kin klemmen, voelen pianisten immer de weerstand van het mechaniek dat hen scheidt van de snaren. Nestelt een vioolsolist zich op het concertpodium contactueel tussen de hem of haar omringende strijkers, een pianist zit dwars op het orkest en ziet vooral de schokkende schouders van de kapelmeester, die niet zelden de grootste moeite heeft orkest en solist bijeen te houden. Alle andere instrumentalisten en vocalisten koesteren hun muzikaal speelgerei als een zelf gebaard kind, toetsenisten moeten altijd maar afwachten in wat voor staat zij de vleugel op de betreffende concertlocatie zullen aantreffen. Altijd het stiefkind. Ik bedoel maar te zeggen, concertpianist zijn is een eenzaam beroep en daarom zijn de hele goede zeldzaam.