De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

De perfectie als geloofsbelijdenis

2004


In 1975 dirigeerde Bernard Haitink het Concertgebouworkest in Maurice Ravels magnum opus L'enfant et les sortilèges. Het werd een meer dan gedenkwaardige uitvoering, niet het minst door de sopraan Mady Mesplé, die met haar coloratuur adembenemende guirlandes de zaal in strooide. Er schiet nog een brok in de keel als ik er aan terugdenk.

Om de een of andere reden - het zal wel een kwestie van geld zijn geweest of wellicht lagen de solisten elders onder contract - is deze uitvoering nooit op de plaat gezet. Een omissie in de opnamecatalogus van het KCO, maar gelukkig werd later de radioregistratie ervan geplaatst op het Liber Amicorum voor de tot eredirigent benoemde Bernard Haitink. Deze opname is techneutisch gezien verre van vlekkeloos. Er wordt op ongelukkige momenten gehoest in de zaal, een koperblazer laat zijn demper op de grond vallen en je hoort de strijkers met hun stoelen over het podium schuiven. Bovendien is het een typische live-opname zonder achteraf-correcties, want er zijn ongelijke blazersinzetten en ook bij de strijkers eindigen niet alle snelle passages split second tezamen. Zaken die tegenwoordig niet meer geaccepteerd zouden worden, maar hier totaal niet deren want de uitvoering zindert van inspiratie en sensualiteit. Een highlight uit mijn cd-bestand.

Wat kunnen we hier uit leren? Dat kleine onvolkomenheden een overtuigend muzikaal resultaat geenszins in de weg hoeven te zitten. Nu is het zo, dat - door betere training en begeleiding - musici tegenwoordig meer ingewikkelde noten per minuut kunnen spelen dan vroeger het geval was. Die fysieke verbetering betreft natuurlijk niet alleen musici, ook hedendaagse atleten lopen harder. Dus, zoals de uitvoeringspraktijk van een halve eeuw geleden werd afgemeten aan de bekwaamheid van toen, is de muziekwereld van nu gefinetuned op de competentie van vandaag. In de jaren '60 sleepten de repetities op Stravinsky's Le sacre du printemps zich van maatdeel tot maatdeel, vandaag de dag is alleen de solo-fagottist nog bezorgd als dit stuk op de speellijst staat vermeld. Ziedaar, kandidaat-orkestmusici worden naar eigentijdse maten beoordeeld en dat daarbij tegenwoordig scherp wordt gelet op speeltechnische vaardigheden valt te billijken.

Maar pas op, als dit deel van het beoordelingscriterium te rigide wordt toegepast, loert het gevaar van perfectie-fetisjisme. Foutjes of vergissingen worden dan onvergeeflijk, en een sterke muzikale persoonlijkheid normafwijkend en daarmee ongewenst. Welnu, als je jarenlang bij audities op die starre manier de kandidaten filtert, krijg je na verloop van tijd foutloos spelende orkesten die allemaal hetzelfde klinken. Nikolaus Harnoncourt signaleerde dat onraad trouwens al zo'n twintig jaar geleden en meldde zijn ongerustheid daarover bij de artistieke commissie van het Concertgebouworkest. Dat klokkenluiden deed hij overigens bij alle orkesten die hij dirigeerde, dus een en ander was niet specifiek voor het KCO bedoeld. Ziedaar, een van de oorzaken waarom de "grote" orkesten op elkaar gaan lijken, is het toenemende verbod op imperfectie.

Voor grote somberheid is evenwel geen reden. Toen ik in 1967 als verse slagwerker het Concertgebouworkest betrad, werd mij door (een deel van) de oude garde te verstaan gegeven, dat het orkest zijn tijd had gehad. Het Mengelberg-portamento was weg en goeie dirigenten waren dood. Bernard Haitink was toen nog maar net begonnen en Mariss Jansons studeerde nog. Zo logenstraft elke nieuwe generatie het kribbebijten van haar voorgangers. En wat de Amsterdammers betreft, die bezitten de luxe van een klinkende veiligheidsgordel: de Grote Zaal van Het Concertgebouw.