De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

De immer omvolmaakte opstelling

2005


Over de podiumopstelling van een symfonieorkest zijn boeken vol geschreven en tegelijkertijd staat niets daarover vast. Nou ja, niets...het is gebruikelijk de contrabassisten niet op de voorste rij rond de dirigent te installeren en bij een klassieke orkestformatie getuigt het van moderne smaak de eerste en tweede violen tegenover elkaar te plaatsen, dus respectievelijk links en rechts van de dirigent. Maar verder bestaan er nauwelijks vaste regels, hooguit overgeërfde conventies.

Bovendien, met een discussie over principe-opstellingen begeeft men zich op glad ijs. Zeker als het grootschalige symfonieorkesten betreft. Om maar eens iets te noemen, een orkestopstelling wordt sterk bepaald door de formant en akoestische kwaliteiten van de betreffende concertzaal. Aan die "hardware" kun je weinig veranderen, dus zul je je als orkest daarnaar moeten schikken. Verder wijzigen dirigenten nog al eens hun voorkeur voor een bepaalde podiumopstelling. Dit uit historische motieven of omdat de maestro een ander klankideaal is gaan nastreven. En verder kan een formatiewijziging heel goed om praktische redenen gewenst zijn, zoals ruimtegebrek, zichtlijnen of de medewerking van een koor.

Tijdens de 'vroege' Amsterdamse jaren van Bernard Haitink zaten de koperblazers van het Concertgebouworkest in zogenoemde blokformatie: hoorns, trompetten en trombones als één massief blok, achter de groep altviolisten. Een hermetische opstelling en zo klonk die ook. Maar na een aantal jaren ervaring met andere orkesten in het buitenland te hebben opgedaan, veranderde Haitink die koperen slagorde in een podiumbrede linie met (uit de zaal gezien) de hoorns links en trompetten en trombones rechts van de centrale paukenset. Niet iedereen was daar blij mee; vooral de eerste violisten vreesden het hoorngeschal in de rug, maar voor de altisten voelde het als een bevrijding.
En nu we toch over alviolisten spreken, die zaten bij Eugen Jochum op de plek waar normaal de celli verkeren. Maar toen ik de oude kapelmeester tijdens een van de repetities op Bruckners Zevende symfonie vroeg of de componist dat zelf heeft gewild, veranderde hij het onderwerp van gesprek door te vertellen dat mijn bekkenslag precies op de helft van de symfonie plaatsvond. Dat laatste was juist, maar ik heb in de Bruckner-literatuur geen bevestiging gevonden dat zijn orkestopstelling expliciet gewenst zou zijn geweest. Nee, het was Jochum zelf die de klank van de altviolen hervortretend wilde doen zijn. Tenslotte zaten die altisten daar ook als hij andere muziek dirigeerde.

Dan was er Leonard Bernstein, Die had een voorliefde voor de zogenoemde houtblazerscarré (met de solofluit, -hobo, -klarinet en solofagottist aan elkaars zijde) in het centrum van het orkest, met daarachter een stereo uitwaaierende rij koperblazers. Erg consequent was hij daarin overigens niet, want hij verwisselde de groepsposities van het koper voortdurend en met het grootste gemak. Ik herinner mij dat tijdens de Europese Mahler-tournees onder zijn leiding het Concertgebouworkest bijna in elke concertzaal in een andere opstelling aantrad dan die in Amsterdam. En dat deed Bernstein niet omdat Mahler dat zo graag wilde, maar doordat hij dan weer de hoorns niet goed hoorde, dan weer ritmische problemen ondervond met ver uiteen zittende orkestgroepen, enzovoort. Ik herinner mij eveneens een bijna-aanvaring tussen Bernstein en het orkest, toen hij tijdens een akoestische repetitie voorafgaand aan een concert in het Gewandhaus (Leipzig), alle koperblazers van plaats wilde doen verwisselen. Die spuwden vuur omdat zij plotseling vanuit een totaal andere zichtlijn hun partijen moesten gaan spelen, hetgeen zij - niet onterecht - als een sterk verhoogd risico zagen. Na enig beraad gaf Bernstein ze gelijk en herstelde de oude orde. Ook in de muziek zijn alle dingen relatief.