De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

In opdracht van de muze

Jaren 90


Hoe en wanneer speelt er zich er iets bijzonders af in de chemie tussen orkest en dirigent? Dat is, zelfs bij een toporkest met een dito dirigent, slechts ten dele te voorspellen. Zo'n gebeurtenis vindt spontaan plaats en daarom meestal onverwacht. Toch - hoe kan het ook anders - ligt er immer een muzische indicatie aan ten grondslag. Een voorbeeld.

Toen de Duitse dirigent Eugen Jochum op hoge leeftijd en na langdurige afwezigheid wederom het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeerde, deed hij dat met Bruckners Zevende symfonie. Staan kon de oude meester niet meer. Maar omdat hij zittend dirigeren verafschuwde, had men voor de bejaarde maestro een stastoel getimmerd waartegen hij gedurende het musiceren kon leunen. Aldus dirigeerde Eugen Jochum - het broodmagere, breekbare lichaam in passieve balans - nog slechts met handen en ogen. Zo'n heldendaad katalyseert Sturm und Drang bij het sentimentele Concertgebouworkest. De vlam sloeg dan ook in de pan, toen halverwege de uitvoering Jochum zich met bovenmenselijke inspanning van het dirigeermeubel verhief, gelijk opgaand met het toenemende klankvolume en de b√Ęton bevend voorwaarts gestoken. Tot hij tenslotte, vlak voor de daverende climax met de beroemde bekkenslag, levensgevaarlijk wiebelend op beide benen stond. Deze spontane daad van zelfvernietiging in dienst van de muziek bracht de leden van het Concertgebouworkest in opperste staat van opwinding. Hoe verder Jochum zich strekte, hoe meer de ruggen zich kromden. Meedogenloos ranselden de strijkstokken de snaren. De blazers, bezig aan de opbouw van de pathetische climax, haakten adembenemend in. Zo schiep het Concertgebouworkest zich een geluidsmonument, dat als een reusachtige vuist op de hemelpoort dreunde. Met de fameuze bekkenslag als muzikale catharsis. Toen die gevallen was, viel Jochum bekaf terug tegen z'n stastoel, richtte zijn trouwe hondenogen op het slagwerkplatform en...salueerde. Zo stuurt een begenadigd dirigent het orkest op geheel eigen wijze langs het heilige vuur van de muzikale geest. Neem nu Mariss Jansons.

Iedere musicus en musicienne koestert wel een gehate compositie. Een zogenaamd 'kreng van een stuk'. Dat hoeft geenszins een slecht gecomponeerd werk te zijn, maar betreft een opus dat de muzikant in kwestie slecht op de maag ligt. En uit het bestaan van notoire anti-wagnerianen valt op te maken, dat de persoonlijke weerzin zich zelfs tegen een compleet oeuvre kan richten. Mijn muzikale secreet was tot voor kort de Zevende symfonie (1941) van Dmitri Sjostakovitsj. Een compositie die langdurig heeft geleden onder het etiket "Leningrads belegering". Waardoor de Zevende al die tijd als een onverdraaglijke Rodeplein-parade is uitgevoerd: pompend en brallend. Vooral door Sovjet-orkesten, want westerse ensembles (ik spreek over de Koude Oorlogs-jaren tot aan circa 1980) speelden het werk om die reden zelden of nooit. Totdat Mariss Jansons (toen nog als gastdirigent) het werk bij het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeerde en de musici welhaast smeekte het valse pathos van die oorlogsromantiek te vergeten en het stuk als een soeverein kunstwerk te zien. En aangezien Jansons een dirigent is die een orkest zijn interpretatie kan afdwingen, klonk er plotseling een heel ander geluid. Het stuk zal nooit tot mijn favoriete repertoire gaan behoren, maar dat geldt voor het grootste deel van Dmitri's symfonische oeuvre. Evenwel, met deze nieuwe muzikale orde werd het propagandistische geraas vervangen door een onafhankelijke muzikale visie, waarin de toonkunst het woord voerde. Aldus werd de 'oorlogssymfonie' weer de Zevende van Sjostakovitsj. En daarmee een waardiger in memoriam voor de gesneuvelden van Leningrad, dan die welke ons bijna een halve eeuw lang is ingebeukt.