De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

MusiGebouw

20 maart 2011


Het Amsterdamse Concertgebouw (1888) en de Weense Musikverein (1870) worden altijd in een adem genoemd en geroemd. Dat kan alleen worden gerechtvaardigd door de faam die beide zalen hebben verworven, want akoestisch verschillen ze hemels­breed. De Musikverein is helder en stralend in haar reflectie en verdraagt geen groot geluidsvolume. Wie er Mahler of Bruckner wil vertolken, dient in te binden op decibels. De zaal is dan ook perfect geschikt voor achttiende‑eeuwse muziek. Geen zaal ter wereld waar de muziek van Haydn, Mozart en Beethoven zo adembenemend mooi ten gehore kan worden gebracht als in de Musikverein. Het Amsterdamse Concertgebouw klinkt omsluierd en diffuus, maar geeft ruimer baan aan grote bezettingen. Kleine ongerechtigheden worden er relatief makkelijk in het totale klankbeeld weggefilterd. Daar staat tegenover dat ritmisch ensemblespel er lastiger is te realiseren dan in zijn Oostenrijkse pendant. Wordt de akoestiek van het Concertgebouw altijd met donkerbruin gekarakteriseerd, de Musikverein klinkt als 24‑karaats. En opmerkelijkerwijs zien de zalen er ook zo uit. Het Concertgebouw oogt gedekt met zijn negentiende‑eeuwse schutkleuren, de Musikverein fonkelt door de gouden ornamenten die de wanden sieren. Of de traditie van de Musikverein ook moet inhouden dat de podiumverlichting tekortschiet, mag worden betwijfeld. Maar het verticaal gebundelde lichtgeweld in het Concertgebouw is, door z'n slagschaduw, ook niet alles. En zo is er altijd wat.