De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Mahler overdacht 2 - De gevoelige snaar

Februari 2010


Beheers streken en snaren en je beheerst het strijkorkest.

Onder dat motto bestiert Mahler de klank van het strijkerscollectief tot in het kleinste detail. En die ijzeren greep leidt tot een aantal markante gevolgen. Neem nu het strijkersfundament. In tegenstelling met wat de monster-orkestbezetting suggereert, spelen de contrabassisten Mahlers muziek in het geheel niet massief (slappe snaren, veel stok), maar alsof het Mozart betreft (aan de punt en flexibel). Dat is minder vreemd dan het lijkt, want Mahlers baspartijen zijn rijkelijk voorzien van barokke en klassieke ornamenten als prallers, mordenten, trillers en Schleifers. En een dergelijke coloratuur is nu eenmaal niet aan te brengen met een dikke kwast.

Hun collega's van de violoncelli en altviolen behouden hun taak als de lyrische tenoren en alten van het strijkorkest en blijven daarmee binnen hun gebruikelijke instrumentale registers. Maar pas op, die nobele cellistische zangersfunctie wordt wel gecombineerd met strafwerk in de vorm van bladzijden lang playing between the cracks. Razendsnel op en neer golvende sequensen in vreselijke toonsoorten als Fis-majeur en des-klein. En in ruil voor de melodische verzelfstandiging van de altviool binnen het strijkorkest, eist Mahler van de altisten een speeltechnische virtuositeit, die tot dan toe alleen van de eerste violisten werd gevergd. Die fysieke beheersing kost zoveel kracht, dat altisten en cellisten bij Mahler altijd op zoek zijn naar de plaats waar de weerstand van de strijkstok op de snaar het grootst is. Om met minimaal vermogen zo veel mogelijk geluid te kunnen produceren, want alle beetjes helpen bij een symfonie van anderhalf uur.

Een andere opmerkelijke richtlijn geldt de violisten en betreft de aanwijzing om versieringen en dynamiek binnen één streekbeweging uit te voeren. En dat is frappant, want het is een speelwijze die wel in Leopold Mozarts vioolmethode is voorgeschreven, maar bij de laat-negentiende-eeuwse symfonici geen gebruik meer was. Het meest kenmerkend hierbij is het specifieke gebruik van de snaren. Om het ultieme dramatische vermogen van het strijkerskorps te kunnen aanspreken, instrumenteert Mahler vaak complete thematische passages over één enkele snaar. De duur van het portamento (de glijdende schaal waarmee op de snaren de intervallen worden overbrugd) overschrijdt daarbij alle verbodsregels van de academische instructies. Net als bij het gestreken arpeggio: de techniek van de gebroken akkoorden, waarmee de gehele harmonie in één enkele beweging over alle snaren heen doorlopen wordt. En het is, gezien het arbeidsintensieve karakter van Mahlers vioolpartijen, geen sinecure die razendsnelle vierklanken correct tussen de hoofdnoten in te persen. Het beginthema uit de finale van de Negende symfonie, dat hoog op de lage g-snaar wordt ingezet en uitgespeeld, is ervoor exemplarisch. Je kunt het kreunen en steunen van de violisten er bij horen. Maar die geweldige krachtsinspanning op de dikste snaar heeft wel tot gevolg dat er een klankbeeld ontstaat met een kolossale innerlijke geladenheid met een diep zwartgallige schoonheid. Zie daar, veel van Mahlers verborgen bedoelingen zitten verscholen in de dubbelzinnige positie van de strijkers binnen het orkestrale beeld. Laag speelt hoog, hoog speelt laag en snaren en streken bepalen de stemming.

En dat geldt alle snaren in het orkest, want met de arm tot het uiterste gestrekt om het contra-octaaf te kunnen bereiken, trekt de harpiste met alle kracht aan de zware stalen snaren teneinde de pizzicati van de contrabassisten te versterken. Een tour de force. Maar waar haar een solistische rol is toegekend, mag zij het orfische register onder de centrale c aantokkelen. Daar zijn de snaren dik en van darm. Daar is de klankkast het breedst dus de toon het warmst. Zoals in het Adagietto uit de Vijfde symfonie, waar de harpiste het introverte lamentoso van de violen becommentarieert met droef pinkelende noten die tot tranen roeren. Is het een wonder dat harpistes dat stukje Mahler het fijnst besnaard vinden?