De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Links uit de flank

Jaren 90


Een ding staat vast: een dirigent die op duidelijke wijze de maat slaat, vormt een helder baken voor zijn musici en hij bevordert daarmee de kwaliteit van het samenspel. Je moet als dirigent wel over zeer grote overtuigingskracht beschikken, wil je zonder voldoende dirigeertechniek een orkest op de juiste wijze in beweging krijgen. En de kapelmeesters die daar toe in staat zijn hebben meestal een ongebruikelijk groot aantal repetities en try-outs nodig nodig om hun bedoelingen duidelijk te kunnen maken.

Nu staat de podiumpraktijk wel ver maar natuurlijk niet los van de studeerkamer. Er bestaat wel degelijk een aantal algemene normen en waarden ten aanzien van de directietechniek. Zo geldt er bijvoorbeeld een uniforme gedragscode met betrekking tot links en rechts. In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, is namelijk niet de rechter- doch de linkerhand van de dirigent toonaangevend voor het artistieke resultaat. Dat het concertpubliek denkt dat het andersom is, wordt veroorzaakt doordat de rechterhand de 'pulse' van de muziek visualiseert; de maat slaat dus. Althans, zo gelasten de voorschriften van de directietechniek. Linkshandige kapelmeesters is het weliswaar niet verboden andersom te dirigeren, maar de maatslag in spiegelbeeld is voor orkestmusici zoiets als links rijden met rechtse verkeersregels: een nodeloos verhoogd risico. De klok tikt dus rechts en door de onophoudelijke aanwezigheid ervan eist die rechtshandige beweging het leeuwendeel van de publieke aandacht op.
Voor het artistieke rendement van de concertuitvoering is de linkerhand evenwel veel belangrijker. Deze verstrekt het orkest namelijk de muzikale interpunctie en articulatie. En dat zijn zaken die deel uit maken van de ínterpretatie, waarmee zij tot een hoger kunstzinnig niveau behoren dan de doorgaande motoriek van rechts. Orkestmusici zijn daarom vooral geïnteresseerd in wat er bij een dirigent links uit de flank komt.

Een andere bedrijfsformule betreft de wijze van tempocontrole. E=mc². Hoe hoger de snelheid, hoe geringer de massa. De gewoonte van dirigenten om bij hakkelend ensemblespel de dirigeerstok geagiteerd van kruin tot kruis te zwiepen, moet dan ook op wetenschappelijke gronden worden afgekeurd. Maar het aanwensel is even onhebbelijk als onuitroeibaar, dus het zal wel psychisch zijn. Zelfs de meest geroutineerde orkestleiders overtreden bij ongelijk samenspel de wetten van de metrische relativiteitstheorie. Waarvan de formule toch zo eenvoudig is: dreigende ontsporing, kleiner bewegen! En het liefst zo weinig mogelijk, want hoe minder stampei er onder die omstandigheden van het dirigeerplatform afkomt, hoe sneller het herstel plaatsvindt. Kan er in tweeën worden geteld, verdeel de maat dan niet in vieren. En met klapwiekende ellebogen trachten een te hoog opgevoerd tempo terug te schroeven, werkt alleen maar contraproductief. De dirigent die dat doet, ziet er uit alsof-ie met zijn hakken in het zand aan een dood paard staat te trekken. Kortom, wie een podiumbreed muziekensemble met panische gebaren probeert af te remmen, wordt nog maten lang meegesleurd in struikelend tumult.
Zo niet wijlen meesterdirigent Antal Dorati. Toen in de finale van Bartóks Concert voor orkest het Concertgebouworkest (in Barcelona op tournee) in op hol geslagen vaart uit de bocht dreigde te vliegen, liet de tachtigjarige maestro de dirigeerstok zakken, hief met autoritaire rust de linkerhand, corrigeerde eerst nog even een te vroege blazersinzet en bracht toen met vier langzaam vegende maar onontkoombare gebaren het voltallige orkest naar een veiliger tempo. Dat was meesterlijk. Einstein knikte goedkeurend. Het orkest ook.