De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Kunst en vliegwerk

5 april 2010


Even generaliseren: de tournees van het Concertgebouworkest waren vroeger leuker. Althans, avontuurlijker. Nu niet meteen het geriatrisch scheldwoordenboek uit de kast rukken, want het is een feit dat de concertreizen van - pak weg - voor 1980 weliswaar langduriger waren (drie maanden Verenigde Staten, zeven weken Noord- en Zuid-Amerika) en oncomfortabeler (Amsterdam-Tokio in 17 uur via de noordpool), maar je vloog wel in je eigen DC8 met een welvoorziene catering en een rits vrije stoelen.

Daarenboven, eenmaal per plaatse aangekomen ging het bedaarder toe dan het 24-uurs cityhoppen van thans. En omdat een concertreis eertijds vaker van de snelweg leidde dan tegenwoordig, zag je dingen die je anders nooit zou hebben gezien. Het zwarte bamboe op de berghellingen aan de Japanse westkust, bijvoorbeeld. Of de vajeros, stapvoets te paard op de desolate hoogvlakten van Centraal Mexico.
Eind jaren '70 begon de verandering. De vliegtuigen werden groter en sneller, in het Verre Oosten kanaliseerden de kolkende ovaties voor de westerse toonkunst tot abonnementsseries Europese stijl en overal ter wereld stampte men het ene symfonieorkest na het andere uit de grond. Wat in die tijd ontstond, was een internationaal circuit van muzieklocaties met - min of meer - vaste bespelers.


Andere tijden

Inmiddels schrijven wij andere tijden. Vroeger wisselde bij de tournees van het Concertgebouworkest Europese en intercontinentale bestemmingen elkaar jaarlijks af. Voor die concertreizen werd een begroting opgesteld en vervolgens stonden de subsidiënten garant voor de dekking van het onvermijdelijke tekort daarop.
Dat systeem had wel iets. Het was zeker geen vetpot, maar die financiering kwam voort uit de gedachte dat de overheid (de gemeenschap) op het gebied van de cultuurspreiding een bijzondere verantwoordelijkheid droeg. Bovendien betaalde Buitenlandse Zaken nog wel eens een reisje mee, omdat het Concertgebouworkest als cultureel ambassadeur van Nederland werd beschouwd. Cultureel ambassadeur is het orkest nog steeds, maar de overheid voelt zich in dit opzicht steeds minder schatplichtig. Soit, vroeger is dood dus met subsidie alleen zal het KCO niet meer kunnen overleven. Daarom zijn buitenlandse reizen, in tegenstelling met vroeger, een onmisbare bron van inkomsten geworden. Dat is de ene kant van het verhaal. De andere, minder zichtbare maar even realistische zijde houdt verband met de communicerende vaten van reistijd en speeltijd. Twee zaken die elkaar lelijk in de weg kunnen zitten.


Onderhoud onderweg

Waar componisten en dirigenten na gedane arbeid en genoten rust gewoon verder gaan waar ze waren gebleven, wordt een orkestmusicus onveranderlijk geconfronteerd met de nooit eindigende weerstand en het soortelijk gewicht van het muziekinstrument dat hij of zij bespeelt. Om speeltechnisch op peil te blijven en muzikaal niet in routine te vervallen, is een instrumentalist (vocalist) daarom levenslang onderworpen aan een zware training en een rigide zelfdiscipline. Want oefening baart kunst, dus veel studeren is een noodzakelijke arbeidsmoraal om de collectieve kwaliteit van een orkest zo hoog mogelijk te houden.

Een orkest dat veel onderweg is, schept in dit opzicht een probleem voor zijn eigen musici. In het bijzonder als het concertreizen betreft, waarbij het hele gezelschap zich doorlopend van de ene naar de andere locatie verplaatst. Actief studeren tijdens het reizen is immers niet mogelijk, dus langdurige en frequente verplaatsingen betekenen een oplopend achterstallig beroepsonderhoud. Nog afgezien van het feit, dat je de tijd die je kwijt bent om een orkest te vervoeren, niet kunt besteden aan het instuderen van nieuw repertoire. Het (reis)tijdverlies werkt dus contraproductief naar twee kanten.

Nu is er in het dualistische bestel van artistieke zaken en zakelijke zaken niets dat alleen maar voor of nadelen heeft, dus ook op het gebied van concertreizen bestaat er een glijdende schaal van (on)wenselijkheid. Een reisdag meer of minder is natuurlijk geen halszaak, maar als het vliegveld het karakter van een tweede thuishaven krijgt, is men op weg naar een nieuwe situatie die aan alle kanten knelt. In het internationale muziekleven breekt daarom het inzicht door, dat het geld en de energie die in veelvuldige orkestrale verplaatsingen moeten worden geïnvesteerd, in feite aan de muziekpraktijk zelf worden onthouden.


Thuishaven

Belangrijke festivals en andere muziekorganisaties inviteren daarom steeds vaker een orchestra in residence: een gastorkest dat de uitnodigende stad voor een bepaalde periode tot zijn thuishaven maakt. En aan die vorm van buitenlands optreden kleven veel minder negatieve bijverschijnselen dan aan de touch-and-go-tournees. Minder transportkosten, minder belasting voor het milieu, een geringer aantal risico-gevoelige momenten en het gebruikelijke woon-werkpatroon van de musici blijft zo veel mogelijk in stand.

Dat laatste klinkt misschien wat huiselijk, maar is voor menig toonkunstenaar een belangrijke overweging om een invitatie wel of niet te accepteren. De weerzin tegen het voortdurend onderweg zijn, de daarmee gepaard gaande jetlag en het langdurig wonen in hotelkamers heeft menig befaamd dirigent doen afzien van een vast gastdirigentschap overzee. Om van afzeggingen en ziekmeldingen op het laatste moment nog maar te zwijgen.

Maar uiteindelijk is het artistieke belang in deze doorslaggevend. Doordat het residence̵-model de musici meer tijd voor muzikale zaken laat, kan een orkest meerdere zijden van zijn artistieke vermogen tonen. En in zo'n ambiance komt een orkest met een veelzijdig repertoire het best tot zijn recht. Daarmee is het begrip orchestra in residence het Koninklijk Concertgebouworkest op het lijf geschreven.