De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Het spel der krachtmetingen

Jaren 90


In het gesloten circuit van het symfonieorkest wordt het spel der krachtmetingen volgens fijnmazige codes gespeeld. Agressie werkt er contraproductief, dus straatvechters wacht drijfzand. Wie in zo'n gevoelig zoemende bijenkorf een misnoegd signaal wil afgeven, speelt dat derhalve 'over de band'.

Een bekende subtiele kunststoot is, het scheppen van een situatie waarin de wederpartij wordt geconfronteerd met zijn eigen zwakheden. Hetgeen vooral een kwestie van rustig afwachten is, want iedereen maakt fouten. Eens liet de Russische dirigent van het Concertgebouworkest Kirill Kondrashin de cellisten de inleiding van Webers Aufforderung zum Tanz tergend vaak overspelen. Geen orkestlid ontging de boodschap: hier was geen sprake meer van repeteren, assembleren of politoeren, dit was een allegorische draai om de oren. De cellisten, kokend van woede over deze openbare terechtwijzing, antwoordden per kerende post. De repetitie daags daarop liet Kondrashin de cellisten voor het eerst zonder onderbreking uitspelen, om aansluitend het voltallige orkest in actie te brengen. Dat startte in een andere toonsoort dan waarin de cellisten waren geëindigd. Die hadden hun solopassage gezamenlijk een toon te laag gespeeld en Kondrashin - niet beschikkend over een absoluut gehoor - had er niets van gemerkt. Heel even blikkerde in zijn ogen het zwaard van de samoerai. Maar toen hij zag dat het Concertgebouworkest podiumbreed in hilariteit verkeerde, gooide hij de handdoek in de ring. Hij schokschouderde, hief de dirigeerstok en speelde de gehele Aufforderung zonder commentaar door. Want je moet van ophouden weten.


Verkeerde been

Bovendien bestaat er een ongeschreven maar meedogenloze wet in de uitvoeringspraktijk van de muziek: wie alles beter weet, mag geen fouten maken. Een ijzeren moraal die dirigenten in een moeilijke en soms zelfs wat tragische positie plaatst. Musiceren is nu eenmaal louter mensenwerk, dus er gaat onvermijdelijk wel eens iets mis. Maar daar zit hem nu juist de kneep. De kapelmeester die met een frauduleuze maatslag het orkest op het verkeerde been zet, kan even later niet pissig kijken bij een valse noot. Dit op straffe van een podiumbrede lange neus. Nu mag zo'n muzikale ontsporing onaangenaam zijn voor de man op de bok, écht traumatisch wordt het voor hem als zijn misslag helemáál geen gevolg heeft. Omdat het orkest gewoon doorspeelt. Op zo'n moment schrompelt de muzikale caudillo eventjes van gezagvoerder tot co-piloot. Zoals indertijd Willem Mengelberg overkwam, die tijdens de première van een toenmalig modern werk het spoor volkomen bijster raakte. Na enkele wanhopige pogingen weer op de rijdende trein te springen, riep hij het Concertgebouworkest in vertwijfeling toe: "Opnieuw beginnen op cijfer zes!"
"Bemoei je met je eigen zaken," klonk het gedempt van achter de lessenaar van de concertmeester en het Concertgebouworkest speelde onverstoorbaar verder. Mengelberg - de neus letterlijk in de partituur - voor zich uit jagend als een konijn in de koplampen van een automobiel. Zo wordt elke dirigent tenminste eens in zijn leven van de ondergang gered, door een orkestrale insubordinatie. Dat is zo absurd, dat een echte maestro daar om kan lachen. Achteraf natuurlijk.


Onrustig

Want zoals wel vaker voorkomt bij begenadigde talenten had ook Willem Mengelberg een gespleten karakter. Hij behoorde tot de grote kunstenaars van zijn tijd, maar politiek was hij een onbenul. Als dirigent toonde hij zich een vooraanstaand orkestleider, maar in de directe omgang met mensen had hij vaak kleine maniertjes. Hij wist bijvoorbeeld precies welke orkestmusici hij ongestraft kon koeioneren en welke hij beter ongemoeid kon laten. Door de timide orkestleden werd hij dan ook 'de baas' genoemd en de podiumtijgers spraken over 'de kleine korporaal'. Dat leidde soms tot bizarre situaties. Zo speelde op een dag een verse klarinettist mee. Wat iedereen verwachtte gebeurde, Mengelberg begon hem te jennen.
"Bent u wel goed genoeg? Dit is een beroemd orkest, hoor! Speelt u mij dat eens voor. Tsja, nog maar een keertje dan."
Zo ging het door. Tot de betreffende houtblazer het zat was, geagiteerd zijn spullen bijeen zocht en opstapte met de onsterfelijk geworden verwensing: "Meneer Mengelleberg, de pokke!"
En toen eens een van de hoornisten zich tijdens een repetitie ernstig gekleineerd voelde door een opmerking van de kapelmeester, rende deze met een stoel boven het hoofd geheven, dwars door het orkest in de richting van Willem Mengelberg. Die schrok zich lam en schreeuwde: "Ga weg, gek! Mensen houdt die man toch tegen!"
Niemand reageerde. Tot de hoornist de dirigeerbok had bereikt en de panisch geworden solozangeres de stoel aanbood. Het bleef nog lang onrustig op het podium.