De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Het repertoire als klankbeeld

2004


Ergens in het jaar 1957, het was een zondagmiddag, begaf ik mij naar het Amsterdamse Concertgebouw. Als student aan het hoofdstedelijk Conservatorium had ik mij een goedkoop studentenabonnement op de concerten van het Concertgebouworkest weten aan te schaffen en het programma van die matinee vermeldde La Mer van Claude Debussy. Een compositie waarvan ik ooit een stukje op de radio had gehoord, wat mij vervolgens naar Alsbach en Doyer in de Kalverstraat had doen snellen om er een partituur(tje) van aan te schaffen. Razend benieuwd was ik, naar hoe dat duizelingwekkende notenbeeld in de praktijk tot klinken zou worden gebracht.

De zaal was stampvol en om die reden had men voor de muziekstudenten, achter de contrabassisten, een aantal losse stoelen neergezet. Mijn medestudenten keken tegen de ruggen van de bassisten, doch mijn zetel bleek de buitenste en was door ruimtegebrek halfjes op de laatste tree van de lange dirigententrap gesitueerd. In dit vrije zicht nam ik plaats en vouwde het minipartituurtje in de linkerhand op bladzijde 1. Vervolgens openden zich de grote podiumdeuren en schreed de dirigent onder luid applaus de trap af. Toen dat enkele seconden had geduurd, klonk achter mij een stem die op pesterige toon riep: "Hé joh, ga eens opzij met je dikke reet."
Als door een adder gebeten keek ik om en daar stond hij: Eduard van Beinum. Grijnzend, want ik vormde in het geheel geen obstakel voor zijn doorgang maar hij wilde gewoon even een muziekstudent-met-partituur jennen.

De uitvoering van La Mer was verpletterend. Van Beinum dirigeerde zonder bâton, swingend vanuit de heup en met kleine bewegingen. Die opzettelijke bewegingsbeperking, zo leerde ik zelf later, maakte de gebaren die er werkelijk toe deden als bakens in een zee van geluid. Het orkest hing aan zijn vingers. In contrast met Van Beinums minieme gestiek overspoelde de muziek als een brekende branding het concertpodium. Een licht-en-schaduwspel met frêle verstilling en verbluffend transparante fortissimo's. Muziek die de zaal in haar macht nam, zonder te intimideren. En dat alles zonder merkbaar zwoegen om een innerlijk voorgesteld klankbeeld te bereiken, want dat was er namelijk al voor het begon. Stupéfait was ik en zo was mijn eerst kennismaking met muzikale identiteit.
Nu nog is de LP die van die uitvoering werd gemaakt (samen met de Nocturnes, Berceuse héroïque en de Marche écossaise [Philips A00441]) legendarisch. Geen wonder dat elke leerlingkapelmeester die Franse muziek wil dirigeren, nog immer de opdracht krijgt deze plaat te bestuderen. En omdat Bernard Haitink in zijn Franse repertoire sterk refereerde aan Van Beinum, bleef het Concertgebouworkest tot in de jaren tachtig in de internationale muziekwereld bekend als het orkest dat naast Mahler en Bruckner zo goed Franse muziek kon spelen. Ook dat was identiteit.
In het hedendaagse Oostenrijks/Russische geweld van Bruckner, Mahler en Sjostakovitsj is het Franse repertoire bij de meeste 'grote' orkesten - dus ook bij het KCO - inmiddels teruggebracht tot een aantal hig lights. En die ontwikkeling stamt niet van gisteren, maar is een trend die al geruime tijd gaande is. Onvermijdelijk dat de klank van het Concertgebouworkest opschuift naar een idioom dat dichter bij Berlijn ligt en verder van Parijs. Of dat erg is moet ieder voor zich bepalen, maar het doet wel afbreuk aan de oorspronkelijke orkestrale eigenheid.

Nadat de laatste ovaties waren verklonken schoof Van Beinum, transpirerend en met wallen onder de ogen, langs mij heen de trap op. "Durf je nog?" grinnikte hij.