De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Carlo Maria Gilulini : een toonbeeld van beschaving

2005


Op 14 juni 2005 overleed op 91-jarige leeftijd Carlo Maria Giulini. Daarmee verloor de muziekwereld een even markant als aristocratisch dirigent. Aristocratisch in muzikale en spirituele zin, wel te verstaan. De man was namelijk een toonbeeld van beschaving. Een eigenschap die visueel werd onderstreept door de statige lamswollen overjas en de onafscheidelijke borsalino waarmee hij zich kleedde. Stemverheffing, streberigheid, sarcasme, alles waarmee een dirigent zich bij orkestleden onsympathiek kan maken was hem vreemd. Zelden in mijn orkestrale leven ontmoette ik een kapelmeester die zo vrij was van zelfingenomenheid. Toen eens tijdens een cd-registratie de opnameleider vond dat het door mij bespeelde klokkenspel om akoestische reden ver achter in de zaal geplaatst moest worden, kwam hij mij dat persoonlijk vertellen. Hij schudde mij de hand, toonde begrip voor de lastige geografische positie waarin ik werd geplaatst, doch bezwoer mij in een mengelmoes van Italiaans en Engels dat de wereld niet plat was dus dat ik er niet kon afvallen. Een maestro in de meest klassieke betekenis van het woord. Onder zijn leiding klonk het Concertgebouworkest als goud. Zijn gestiek was kalm en sierlijk doch nimmer inert. Zaken die door minder begaafde dirigenten nog al eens worden verward. Opgeklopte tempi waren hem een gruwel want de muziek moest als vanzelf stromen. Toch konden houtblazers de thema's in zijn adagio's in één ademboog spelen. Toen na een uitvoering van Brahms' Vierde symfonie er in de Nederlandse muziekpers werd geklaagd dat het allemaal zo langzaam was, bleek na timing de uitvoering nauwelijks drie minuten langer dan de versies van Bernard Haitink en Riccardo Chailly. Tsja, voor wie geen geduld heeft is dat een eeuwigheid. De meest boeiende herinnering koester ik aan Weberns Sechs Orchesterstücke. Bij de eerste repetitie vroeg Giulini verbaasd waarom het orkest dit werk zo mechanisch en terughoudend speelde. De reden ervan was dat wij dat stuk talloze malen onder leiding van zogenoemde "moderne-muziek-specialisten" hadden moeten uitvoeren; veelal ritmisch rigide en niet zelden goorgrijs van tint. Onzin, vond Giulini, want waarom zou dodecafonische muziek kleurloos gespeeld moeten worden. Vervolgens penseelde hij Weberns miniaturen als een schilderij van een Italiaanse meester. Het klinkend resultaat was het bewijs van zijn gelijk.