De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

Het gebaar

Jaren 90


Het enig juiste gebaar en het achterwege laten van overtollige bewegingen: ziedaar de kern van waar het om draait bij het dirigeren van een symfonieorkest. Over die bewegingsleer van het kapelmeesterschap is in de loop der jaren veel geschreven. Kasten vol studieboeken waarin tot in het kleinste detail beschreven staat, op welke wijze de handen van de maestro het muzikale metrum in geometrische figuren moeten weergegeven.

Hoe de maat te slaan, dus. Elke zichzelf respecterende muziekbibliotheek - waar ook ter wereld - telt metersbrede boekenplanken met doorwrocht instructiemateriaal, waarmee een aspirant-dirigent zich tot in de finesses kan bekwamen in de fysieke vaardigheden van de orkestrale directie; de bewegende kunst die in het muzikaal vakjargon takteren wordt genoemd.

Helaas, de praktijk is weerbarstiger dan de leer. Kwam die muziekwetenschappelijke kijk op dirigeren ook maar enigszins overeen met de realiteit op het concertpodium, dan was de muziekwereld dichtbevolkt met wijze oude maestro’s en aanstormend dirigeertalent. Bovendien waren dan de honoraria van dirigenten een stuk democratischer getint dan thans het geval is. Want laat niemand zich vergissen, achter de schone schijn van het wereldberoemde toporkest met zijn gevierde dirigent(en) tandenknarst het muzikantenkorps over de buitenproportioneel opgelopen beloningsverschillen tussen de bejubelde orkestleiders en de verzamelde orkestleden die uiteindelijk het werk moeten doen. Een immer smeulende veenbrand van sluimerende onvrede, die op het podium tot open vuur kan oplaaien als een van beide partijen zich iets te weinig aan de ander gelegen laat liggen. Het is dan ook om die reden dat het dirigenten en orkestleden verboden is, zich in het openbaar al te k ritisch over elkaar uit te laten. De afweging die daaraan ten grondslag ligt is een prozaïsch logische.

De dirigent die zijn musici publiekelijk afvalt, geeft er blijk van geen greep te hebben op de psychologische omgeving in zijn eigen orkest. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs alleen maar zijn schuld te zijn, maar hij is er in ieder geval niet in geslaagd de samenwerking tot een succes te maken. Een dirigent die zich in zijn ergernis of vertwijfeling tot een publicitaire strafexercitie laat verleiden, trekt openlijk ten strijde tegen zijn eigen orkestleden en brengt daarmee het slechtste in hen boven. De contra-attaque van het orkest kan hij per kerende post verwachten. En betreft het bij een dergelijke bonje de situatie bij een toporkest, dan luistert de hele muziekwereld muisstil en met gespitste oren mee.
Ter andere zijde moeten orkestmusici die een dirigent in het openbaar van kanttekeningen voorzien er op rekenen, dat die maestro uit nijd en zelfrespect hun orkest nooit meer zal willen dirigeren. En het orkest dat zoiets te vaak overkomt, maakt zich bij de grote kapelmeesters niet populair. Met welk gedrag het zich in grote artistieke problemen dreigt te manoeuvreren. Kortom, beide partijen hebben elk hun persoonlijke redenen de samenwerking zo lang mogelijk chic te houden.