De Symfonische muziekpagina's

Door Niels Le Large

Klik hier om terug te gaan naar het Archief...

De eerste fixatie

2001


"Ik voel me betrapt in de intimiteit van mijn bestaan!" Zo protesteerde eens een collega-musicienne naar aanleiding van mijn columns en verhalen in Preludium, het programmablad van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest. Terwijl ik toch met geen woord over haar privé-aangelegenheden had gerept. Toch had ze niet helemaal ongelijk.

De relatie tussen een beroepsmusicus en het door haar of hem bespeelde muziekinstrument vertegenwoordigt de ultieme haat-liefdeverhouding. En die alles overheersende emotionele afhankelijkheid beïnvloedt elk aspect van een muzikantenleven, dus ook de meest persoonlijke kanten ervan. Bovendien vereist werken in een symfonieorkest, onvoorwaardelijke onderwerping aan de vaak bizarre normen en waarden van de orkestrale uitvoeringspraktijk. Dat alles maakt orkestmusici weinig mededeelzaam over hun doen en laten, op en achter het concertpodium. Omdat het een buitenstaander niet goed valt uit te leggen, hoe het is een individualist in een muzikale menigte te moeten zijn. Een enkeling in een leger van zelfovertuigde, vakkritische geschoolde soortgenoten. Geen eenzamer mens dan een muzikant die zich, bij het naderen van een lastige solopassage, voelt als de voetballer die de beslissende strafschop nemen moet. Er is zwaar op geoefend, dus op papier kan er weinig fout gaan. Maar omdat het gemeenschappelijk belang een goede afloop vereist, sluipt toch de faalangst als een hyena rond de gemoedsrust. Ziedaar de kloof tussen de leer en de realiteit. Het meedogenloze verschil tussen de theorie van de studeerkamer en de praktijk op het concertpodium.

Kijken wij met die ogen naar het Koninklijk Concertgebouworkest. Het Koninklijk Concertgebouworkest is zozeer Hollands dat het nergens anders dan in de Nederlandse maatschappij zou kunnen gedijen. Met zijn historisch gegroeide interne verhoudingen weerspiegelt het Koninklijk het Koninkrijk in zakformaat. De intramurale verhoudingen weerspiegelen dat. Binnen het instituut beweegt zich een kleurrijk politiek-maatschappelijk krachtenveld, maar in de praktijk regeert immer het brede centrum. Hardliners kent het orkest ook, maar ze zijn niet erg populair. Een gesloten gemeenschap als dat van een symfonieorkest is niet gebaat bij al te scherpe tegenstellingen in het dagelijkse beroepsdebat. Wie voortdurend en vaak en dag en nacht met vakbroeders onderweg is, wil het graag een beetje gezellig houden. En een al te confronterende attitude werkt daar niet aan mee.

Ook de burgerlijk-democratische wijze waarop de orkestleden hun belangenbehartiging op afstand delegeren (een beroepsvereniging die deel uitmaakt van het eigen stichtingsbestuur) is Made in Holland, want verwijst ontegenzeglijk naar het Nederlandse overlegmodel.
Nieuwe - en zeker nieuwe buitenlandse - orkestleden worden daarom massaal collegiaal begeleid bij hun onderdompeling in de Amsterdamse orkestrale zeden en gewoonten. Die aandrang tot collectieve opvoeding spruit voort uit de behoefte aan een vreedzame coëxistentie op lange termijn. Om een ambiance te scheppen, waarin artistieke topprestaties kunnen worden verricht, zonder al te veel in een muziekfabriek te vervallen.
"Als er iets dodelijk is voor de muziek, dan is het routine." (Mariss Jansons).